
Zo ging men naar school in Veghel in 1966
Ingezonden 4.781 keer gelezenIn 1966, ik was zes, begon ik op de broederschool in Veghel, die later gewoon de Aloysiusschool werd genoemd. Daarvoor stond er nog ‘RK’ voor, Rooms-Katholiek. Dat hoorde er toen gewoon bij. Ik kwam in klas 1A, bij broeder Alban Duyvis. Een broeder zoals je die toen nog veel zag: statig, zwijgzaam, en met een soort vanzelfsprekend gezag dat niemand betwistte. In de parallelklas, 1B, zat juffrouw De Wit. Voor zover ik me herinner, de enige vrouw tussen al die mannen in habijt. “Broeder Alban zei niet veel, maar als hij iets zei, luisterde je.”
Ik liep elke ochtend met een paar buurjongens vanuit de Lobeliastraat naar school. Geen ouders die meeliepen, geen rugtasjes met drinkbekers. Gewoon lopend, soms nog slaperig, maar altijd op tijd. Of mijn moeder me op de eerste dag heeft gebracht? Ik weet het niet meer. Volgens mij niet. Op de Gabriëlschool, de kleuterschool, herinner ik me alleen dat ze me de eerste dag heeft weggebracht. Daarna liep ik zelf. “Dat was de manier, je deed het gewoon. Je werd geacht het te kunnen.”
De speelplaats was een grote, grijze vlakte met stoeptegels. Twee grote bomen zorgden voor wat schaduw, maar verder was het kaal. Geen klimrekken of glijbanen, geen felle lijnen op de grond. En toch vermaakten we ons. Er was altijd wel een broeder op het plein die zwijgend toezicht hield. Niet met een fluitje, niet met woorden, gewoon door er te zijn. “Zijn aanwezigheid was genoeg om ons in het gareel te houden.”
Als de bel ging, dan werd het stil. Echt stil. Twaalf klassen stelden zich in rijen op, netjes, zonder gedrang. We wisten precies wat er van ons werd verwacht. Achteraf gezien leek het op hoe we later bij Defensie op appèl stonden. Die vanzelfsprekende discipline zat er al jong in. “Het was een ritme waarin je je veilig voelde, juist omdat het zo duidelijk was.”
Als ik nu langs scholen loop, zie ik iets heel anders. Ouders die hun kinderen tot aan de klas brengen, kinderen die praten en lachen, ook als de bel al is gegaan. Leerkrachten die niet alleen onderwijzen, maar ook coach, vertrouwenspersoon en opvoeder tegelijk zijn. Mooi, zeker. Maar ik vraag me soms af: zijn we met al die vrijheid misschien ook iets kwijtgeraakt?
Want hoe je het ook wendt of keert: die strakke kaders van vroeger gaven ook rust. Je wist waar je aan toe was. Je hoorde ergens bij. “We dachten niet na over wie we wilden zijn, we wisten wat er van ons werd verwacht.” Natuurlijk, er was minder ruimte voor gevoel en nuance. En ja, de keerzijde was dat ‘anders zijn’ niet altijd werd gezien, laat staan erkend.
En toch, als ik terugdenk aan die tijd, voel ik vooral warmte. Niet uit een verlangen naar het verleden, maar omdat er iets waardevols zat in die eenvoud. In het collectieve. In de duidelijke structuur. “Het was niet altijd zacht, maar wel stevig.”
We leven nu in een tijd waarin kinderen centraal staan, en terecht. Maar misschien is het goed als we ook iets van die vroegere helderheid terugvinden. Vrijheid is prachtig, zolang ze niet verward wordt met vrijblijvendheid. En discipline hoeft geen beklemming te zijn, maar kan ook een vorm van houvast zijn, juist voor jonge mensen die zoeken naar richting.
Ik heb geen pleidooi voor vroeger, maar wel een herinnering. Een herinnering die misschien iets zegt over nu. En over de balans die we als samenleving blijven zoeken: tussen ruimte en richting, tussen ik en wij.
- Ingezonden door:
Wilbert Linders.


















