Afbeelding
Foto:

Sensatiezucht

Algemeen Column Hans van der Wijst 4.231 keer gelezen

Vlákbij bij mijn woning was er maandagmiddag opwinding. In een woning aan de Veghelse Bundersweg dreigde een bewoner zijn huis in brand te steken. Binnen de kortste keren was het landelijk nieuws, begon het speculeren, ontploften sociale media en groeide de meute ‘belangstellenden ter plekke’ ondanks een volledig afgesloten stuk Bundersweg en wat her en der gespannen afzetlinten. 

Vond het lijken op zo’n kolderieke asbestsaneringsplek. Aan de ene lintkant mannen in veilige ‘maanpakken’ (nu waren het zwaar uitgeruste, bewapende aanhoudingseenheden), aan de andere kant veel nieuwsgierig, onbeschermd volk. Ik begrijp weinig van die sensatiezucht. Dus ben ik dat eens gaan ‘onderzoeken’. Wat blijkt? Met je snottert bovenop ‘ellénde’ willen staan is eigenlijk heel natuurlijk. Mijn áfkeer daarvan juist niet. 

Onze nieuwsgierigheid naar dood, geweld of lichamelijk letsel heet morbide nieuwsgierigheid. Iets gruwelijk, maar ook wel fascinerend vinden. Denk aan heftige ongelukken of gewelddadige filmpjes. Mensen blijken het vaak erger te vinden om iets níet te weten dan achter (vervelende) waarheden te komen. Hoe onzekerder een situatie, hoe interessanter wij het vinden om het te ervaren of het antwoord te weten. Denk aan iets ‘uitvreten’ terwijl het juist níet mag. Dan hebben we ook nog te maken met iets als dopamine. Een hersenstofje waarvan de functie per situatie kan verschillen, maar je alert en nieuwsgierig kan maken. Het is dus eigenlijk heel menselijk naar vreselijke dingen te willen kijken. Een soort onbewuste behoefte voelen om te willen begrijpen én te zíen of dat beeld klopt. 

Rond tweeën ging ik, zoals elke maandagmiddag, ons buurmeisje van school halen. Moest via een omweg. Bij terugkomst fietste ik onder een lint door waar wél een agent bij geposteerd was. Niet slim. Zijn onmiddellijke vraag: “Waar gaat meneer naartoe?”, was best terecht. “Richting huis”, antwoordde ik geheel naar waarheid. “Da’s een stukje verderop aan de rechterkant, agent.” Diens reactie: “Is dat vóór of voorbíj de brandweerwagen?” (stond wat verderop rechts geposteerd). “Ietsje voorbij”, probeerde ik. “Dan moet u omfietsen.” Met de ogen van een negenjarige in mijn rug besloot ik verder niet eigenWijst te doen. Via een omweg reden we wat later ons woonerf op, zo’n vijftig meter voorbíj de brandweerauto. Ietsje verderop lag de achtertuin van het belegerde pand. 

Daagse erop wandelde ik er, zoals zo vaak, met onze leasehond voorbij. Zag er nooit een teken van leven. Dat er wel moet zijn geweest. Maar wát voor leven? Ik slaakte een diepe sensatiezucht…

Stuur jouw foto
Mail de redactie
Meld een correctie

Uit de krant